Gevolgen van het warme weer: geuroverlast en langer mest uitrijden

Het was een warme, hete zomer. Velen van u zullen blij zijn dat het een beetje voorbij is. Dat geldt voor alle ondernemers, maar ook voor een deel van de inwoners van het werkgebied van de Omgevingsdienst. Het mooie weer zorgde er voor dat men buiten wilde eten en met de ramen open wilde slapen. Maar dat mooie weer zorgde er ook voor dat nare luchtjes dicht bij het aardoppervlak bleven hangen.

En ondanks dat veel mensen dachten dat veehouders hun luiken ‘s avonds open zetten, was er vooral sprake van een meteorologisch verschijnsel. De aarde koelt ’s avonds af, maar een warmere luchtlaag houdt de koudere luchtlaag vlak boven het aardoppervlak. Soms krijgt deze koude, zwaardere lucht de kans niet om op te warmen en blijft op geringere hoogte hangen. Dit komt vooral voor op warme zomerdagen. Er is dan sprake van zogenaamde inversielagen. Voor geur een vervelend verschijnsel.

Inversielagen

Langer mest uitrijden

De lange, warme periode zorgt er ook voor dat akkerbouwers een slechte oogst verwachten. Kleinere aardappels en kleinere pruimen, dus minder opbrengst. En lang niet iedereen verzekerde zich tegen de extreme weersomstandigheden. Veel veehouders zagen het kuilvoer op het land al verdrogen voordat er was gemaaid. Met als gevolg hogere kosten, omdat voer nu moet worden aangekocht in plaats van voer van het eigen land.
Er is een klein beetje hoop: in het werkgebied van de Omgevingsdienst mogen veehouders op grasland langer (tot 30 september) mest uitrijden. Misschien kunnen ze dan, als het gaat regenen, nog een keer maaien en daarmee hun verlies een beetje beperken.

Kortom, deze lange, hete zomer leidde niet alleen maar tot ‘mooi weer’.  

Uitgelicht

Zoeken